Geachte heer van der Meijden (SodM) en overige geadresseerden,

Allereerst hartelijk dank voor uw reactie (hieronder) op mijn schrijven van 6 en 24 juli jl. Helaas zijn hiermee tot nu toe het SodM en de Overheidscoördinator, dhr. H. Alders de enige betrokken partijen die hebben gereageerd. Ik wacht nog steeds op een inhoudelijke reactie vanuit het Ministerie van Economische zaken en vanuit de directie van de Nam, aan wie ook dit schrijven weer mede is gericht…

Uw reactie roept bij mij de nodige vragen op. Laat ik op voorhand zeggen dat ik geen deskundige in deze materie ben, dus als ik zaken niet goed interpreteer, bij voorbaat mijn excuses. U mag mijn schrijven zien als in zijn geheel in vragende vorm gesteld…

Mijn vragen richten zich vooral op de nieuwe methode waarmee nu de compactie wordt berekend en op het groepsrisico dat de kinderen in Bedum lopen ten opzichte van andere schoolgaande kinderen in Nederland. Hieronder volgt een korte toelichting. Bijgevoegd vindt u een onderbouwing bij mijn vragen (bijlage 5).

U schrijft dat het SodM in haar advies van juni 2015 (bijlage 1) heeft geconcludeerd dat de seismische dreiging (kans op beweging van de grond) voor het gaswinningsgebied in Groningen fors is afgenomen. Dat zou ook gelden voor de maximale pga die op korte termijn in Bedum wordt verwacht. Dit zou natuurlijk goed nieuws zijn, ware het niet dat u in hetzelfde advies tegenstrijdige conclusies trekt over het seismische risico (kans op gewond raken of erger). In de samenvatting staat bij de conclusies onder punt 1 dat het seismische risico afneemt omdat de seismische dreiging kleiner zou zijn geworden dan werd aangenomen. In punt 4b lees ik echter dat het seismische risico nauwelijks is afgenomen omdat de kwetsbaarheid van de woningen groter is dan werd aangenomen. Dit is voor mij erg verwarrend en stelt mij niet gerust waar het gaat om de veiligheid van honderden schoolkinderen in Bedum. Kunt u hier een toelichting op geven?

Verder schrijft u dat door productieverlaging en andere rekenmodellen (de Nam lijkt de berekeningsmethode volledig te hebben veranderd) er een lagere kans is op het bewegen van de grond. Maar uit het rapport 'A technical addendum on the winningsplan Groningen 2013' van de NAM (figuur 12, bijlage 2) blijkt dat de productieverlaging niet veel invloed heeft. Vindt het SodM deze veranderingen zo verantwoord, dat ze deze als uitgangspunt voor de veiligheid van honderden schoolkinderen gebruikt, terwijl er zulke verschillen optreden in de te verwachten grondvernellingen (pga) vergeleken met eerdere bevindingen? Helemaal tegen het licht dat de NAM zelf schrijft dat er nog veel onzekerheden zijn voor het te gebruiken compactiemodel (zie figuur 14 uit 'A technical addendum on the winningsplan Groningen 2013' van de NAM, bijlage 2 en zie plaatjes onderbouwing, bijlage 5)? De Nam trekt deze conclusies uit nieuwe data. Maar is een verdriedubbeling van de data werkelijk zo ingrijpend? Helaas is deze data niet openbaar, zodat transparantie ontbreekt.

Uit 'A technical addendum on the winningsplan Groningen 2013' van de NAM (bijlage 2) maak ik ook op dat voor alle eerdere (!) modellen op langere termijn veel hogere pga-waarde worden gevonden voor een jaarlijkse overschrijdingskans van 0,2%. Ook lees ik daar dat je een overschrijdingskans van 0,2% per jaar, volgend uit een periode van 5 jaar, niet zomaar om kunt zetten in een overschrijdingskans van 10% in 50 jaar voor het Groninger veld, omdat het hier gaat om een uniek gebied met geïnduceerde bevingen( blz. 125), die daarom met geen enkel ander (tektonisch) aardbevingsgebied te vergelijken is. Kunt u aangeven welke pga’s er op langere termijn voor Bedum van toepassing zullen zijn en op welke termijn dat dan is?

Daarnaast begrijp ik uit uw reactie dat het SodM zich niet bezig houdt met het proces rondom het versterken van gebouwen. Ik wacht helaas nog steeds op antwoord van de andere aangeschreven en betrokken partijen die hiervoor verantwoordelijk zijn. Ik maak wel op uit de rapporten van het SodM dat zij zich bezig houdt met het veiligheidsaspect van mensen in gebouwen. Juist dat aspect baart mij grote zorgen waar het gaat om de veiligheid van honderden kinderen in Bedum. In 'Risico Analyse Aardbevingen Groningen' (bijlage 4). stelt het SodM in punt 3.2 dat het plaatsgebonden risico (PR), dus het risico dat je op een bepaalde plaats loopt om te overlijden door ‘externe omstandigheden’ in Nederland is gesteld op kleiner dan 1 op 1.000.000. Maar in het advies van het SodM uit juni 2015 (bijlage 1) staat dat er nog geen norm is voor het seismisch risico. Hoe verhoudt dit zich tot elkaar?

 

Ook lees ik, als ik het goed begrijp, in tabel 2 uit 'Risico Analyse Aardbevingen Groningen' (bijlage 4) dat het groepsrisico, dus het risico dat een aantal mensen in een keer komt te overlijden ten gevolge van een calamiteit in Groningen, veel hoger is dan bijvoorbeeld het landelijke uitgangspunt voor het groepsrisico bij gevaarlijke stoffen ed. (Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) http://wetten.overheid.nl/BWBR0016767/geldigheidsdatum_27-07-2015#2

artikel 12). Hier staat bijvoorbeeld dat de landelijke norm voor het overlijden door gevaarlijke stoffen ed. van 10 personen een kans is van 1 op 100.000. In het rapport 'Risico Analyse Aardbevingen Groningen' staat dat in Groningen deze kans op overlijden tgv een aardbeving 1 op 112 is! De landelijke norm uit de BEVI voor het overlijden van 100 mensen is een kans van 1 op 10.000.000. Maar in Groningen is deze kans 1 op 455!

Heb ik uw rapport hier juist geïnterpreteerd (zie ook bijgevoegde onderbouwing, bijlage 5)? Vindt het SodM het forse verschil in risico aanvaardbaar dat burgers in NL lopen om bij een ongeval met gevaarlijke stoffen om het leven te komen VS het risico dat Groningers lopen om tgv. een aardbeving om het leven te komen? Hoe verhoudt zich dat tot de veiligheid van onze schoolgaande kinderen in Bedum? Het lijkt mij dat het groepsrisico in Groningen nog steeds veel te hoog is in vergelijking met dat van de rest van Nederland en dus dat van de schoolgaande kinderen in het aardbevingsgebied en in Bedum in het bijzonder. Waarom worden deze getallen niet meer genoemd in het huidige advies van het SodM (bijlage 1)? Wat is nu het plaatsgebonden risico voor de scholen in Bedum? Het lijkt me toch dat kinderen in Bedum geen grotere risico’s mogen lopen dan kinderen elders in het land.

Tot slot wil ik graag opmerken dat het terugdraaien van de gaskraan van invloed lijkt op het aantal en de kracht van de bevingen (Loppersum) en dat zou zoals gezegd goed nieuws zijn, maar is deze conclusie niet wat prematuur op basis van het aantal waarnemingen en deze korte tijdspanne? Ik heb in mijn eerste mail aangaande dit onderwerp al gememoreerd aan de stelligheid waarmee naast de Nam en de overheid, ook uw organisatie tot augustus 2012 (zware beving Huizinge) beweerde dat er nooit een zwaardere beving dan een met een 3.9 op de SvR zou kunnen voorkomen in Groningen. Ook herinner ik mij het vernietigende rapport van de Raad voor Veiligheid uit februari 2015, waarin staat dat de overheid, de Nam en het SodM jarenlang economische belangen hebben laten prevaleren boven de veiligheid van de inwoners van Groningen. Waar is uw huidige stelligheid aangaande de veiligheid van honderden schoolkinderen in Bedum op gebaseerd en kunt u dat schriftelijk aan mij bevestigen voordat de scholen weer open gaan? Kunt u mij schriftelijk verzekeren dat de kinderen in Bedum weer veilig terug kunnen keren naar hun scholen, waarvan uit analyses blijkt dat de gebouwen bij zwaardere bevingen niet veilig zijn? Kinderen in Bedum hebben immers zoals eerder aangegeven toch dezelfde rechten als kinderen in de rest van Nederland waar het gaat om een veilige school?

In afwachting van uw reactie en die van alle andere betrokken partijen verblijf ik, met vriendelijke groet,

Drs. Annemarie Heite

Antwoord van Harry van der Meijden

Geachte mevrouw Heite,

Wij begrijpen uw zorgen over de veiligheid van de kinderen op de genoemde vier scholen in Bedum en omgeving. In uw mail stelt u een aantal vragen waarop u antwoord hoopt te krijgen. Staatstoezicht op de Mijnen is echter niet betrokken bij het proces rond de versterking van gebouwen en kan derhalve niet op al uw vragen antwoord geven. Zo hebben wij geen informatie over de prioriteit die gehanteerd wordt bij het verstevigen van gebouwen. Wel kan ik ingaan op de recente inzichten over grondversnellingen, die SodM in zijn advies van juni 2015 heeft gebruikt.

In ons recente advies van juni 2015 hebben wij geconcludeerd dat de seismische dreiging (dus de mate waarin de grond beweegt ten gevolge van bevingen) in de meest recente analyses naar beneden is bijgesteld. Dit is het gevolg van 1) de productiemaatregelen die de minister getroffen heeft, en 2) van het bijwerken van de rekenmodellen op basis van de nieuwste waarnemingen. Voor het uitgangspunt voor de versterking (hierbij ga ik gemakshalve even uit van de groene versie van de NPR richtlijn waarbij een grondversnelling die eens in de 475 jaar zou kunnen optreden ten gevolge van een beving wordt aangehouden) betekent dit in Bedum dat de dreiging van 0,32-0,35 g tot  ~0,15g is afgenomen (zie onderstaande bijgevoegde figuren). Hiermee is de verwachting voor de sterkte van de bron van het risico op dit moment inderdaad een stuk lager dan oorspronkelijk gedacht.

Over langere termijn bekeken neemt de dreiging echter door de doorgaande productie weer wat toe, tot het moment dat de jaarlijkse productie uit het veld door het opraken van het gas terug gaat lopen. Met deze toename wordt in de versteviging van de gebouwen al rekening gehouden. Doel van de versteviging is het risico te verkleinen. De nog vast te stellen risiconorm vormt daarbij een referentiepunt. Het risico is een combinatie van de sterkte van de bron (de grondbeweging) en de kwetsbaarheid van het gebouw. SodM kan niet beoordelen of het schoolgebouw sterk genoeg is voor de toekomst. Daarvoor ontbreekt ons de bouwkundige expertise. Op verzoek van de Minister van EZ is SodM in overleg met de deskundigen van Deltares, TNO en de commissie Meijdam om tot een bruikbare en uitlegbare veiligheidsnorm te komen. Wij verwachten dat die norm later dit jaar (rond november) kan worden vastgesteld.

 

 

Boven: NPR richtlijn dreigingskaart bij winningsplan productieprofiel. Onder: Dreigingskaart NAM analyse 1 mei 2015 bij 39,4 bcm/jaar productie.

Met vriendelijke groet,

Harry van der Meijden