Vragen over het rapport van de commissie Meijdam

De gevolgen van aardbevingen door de gaswinning zouden een kwart minder erg zijn dan tot nu toe aangenomen. Dat is de conclusie van de door de regering ingestelde commissie-Meijdam. Deze conclusie wordt omarmd door onder meer Hans Alders, de Nationaal Coördinator Groningen. In dit rapport worden vragen gesteld over het rapport en deze conclusie.

De regering heeft op 9 juni 2015 de adviescommissie “Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen” ingesteld met als voorzitter de heer mr. H.M. Meijdam, kortweg de commissie-Meijdam.

Deze commissie heeft tot taak “de minister te adviseren over een redelijke, rechtvaardige en realistische omgang met de risico’s van de aardgaswinning om op die wijze uit de technisch-wetenschappelijke controverse te komen.” Dat staat in het eerste advies van deze commissie van 23 juni 2015. Dit jaar volgen er nog twee, een advies over de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR) in september/oktober 2015, en een definitief advies tegen het einde van 2015.

Samenstelling van de commissie:

de heer mr. H.M. Meijdam te Hoorn, tevens voorzitter; VVD-bestuurder.

de heer prof. dr. Michel van Eeten (1970); hoogleraar Bestuurskunde bij de sectie Policy, Organisation, Law & Gaming (POLG) aan de TU Delft en specialist in internetveiligheid.

de heer dr. L.G. Evers te Utrecht; werkt bij TU Delft en KNMI.

de heer drs. P.L.B.A. van Geel te Helmond; oud-staatssecretaris van Milieu (CDA).

de heer prof. dr. I. Helsloot te Renswoude; heeft een rapport gemaakt over risico’s van aardbevingen dat sterk is bekritiseerd door onder meer prof. Charles Vlek van de RUG.

NPR

Het advies over de NPR is van groot belang. De NPR is een richtlijn om de sterkte van een gebouw te bepalen, gegeven een bepaalde, verwachte grondversnelling (PGA). Hierbij is de grondversnelling de beweging van de bodem als gevolg van een aardbeving. Hoe groter de grondversnelling, hoe meer en omvangrijker de bodem beweegt en hoe sterker de gebouwen moeten zijn om niet in te storten. Uit de NPR volgt dan als het ware hoeveel gebouwen op welke manier aardbevingsbestendig gemaakt moeten worden en wat de omvang van het gebied is waar al die woningen en andere gebouwen staan.

Het tweede advies dat de commissie-Meijdam binnenkort uitbrengt: een advies over de Nederlandse Praktijk Richtlijn, bouwt voort op het eerste advies. Daarom gaan we hier nu op in. Op zich is het al verbazingwekkend dat een commissie twee weken na de benoeming een advies uitbrengt:

  • Waren de kaders en uitgangspunten van het advies al van te voren vastgesteld en zo ja door wie?

Uitgangspunten

Waar zijn de conclusies van de commissie op gebaseerd?

Volgens de commissie “bieden feitelijke metingen een betere basis voor het trekken van conclusies” dan “technisch modelmatige berekeningen (die zijn gehanteerd in de voorlopige versie van de NPR).”

Er zijn verschillende  modellen om de kans op aardbevingen in het Groninger veld te bepalen. Daarover stelt de commissie: “Aan deze modellen liggen allerlei verschillende aannames ten grondslag die in meer of mindere mate aansluiten bij de werkelijkheid.”

De deskundigen (het wordt niet duidelijk wie dat zijn) met wie de commissie heeft gesproken, onderschrijven de complexiteit en daarmee samenhangende onzekerheden van de pogingen tot modellering van de kracht van en de kans op aardbevingen. Velen geven wel aan dat de huidige modellen (…) veel beter zijn dan die van een jaar geleden. Dit zegt echter nog weinig over de voorspellende waarde van de hazardanalyse voor het risiconiveau. (…) Daarbij dient te worden opgemerkt dat in de huidige discussie over de veiligheid van 900 schoolkinderen in Bedum, waarbij het college, gesteund door de Nationaal Coordinator zich bij haar aanname dat er de komende 5-6 jaar nog geen zware beving zal komen, naar eigen zeggen beroept op de uitgangspunten van de commissie, zijn inmiddels door Nam en SodM (Staatstoezicht op de Mijnen) weersproken: zij onderschrijven deze uitleg niet: “niemand kan voorspellen wanneer deze komt.”

Principieel vindt de commissie dat “de huidige modellen geen voorspellende waarde hebben op de lange termijn.” Daarom gebruikt de commissie “feitelijke metingen in tegenstelling tot de aannames in de voorlopige versie van de NPR.”

In de voorlopige NPR is gekozen voor 40 bevingen per jaar, met als zwaartepunt de regio rondom Loppersum. De commissie stelt: “Er zijn twee redenen om dit getal realistischer voor te stellen:

  1. Het aantal van 40 bevingen per jaar is nog nooit gehaald, het gemiddelde over bijvoorbeeld de laatste 10 jaar is: 20 bevingen groter dan 1.
  2. de reductie van de gaswinning rondom Loppersum zal op termijn tot minder aardbevingen leiden.”

De commissie baseert zich op feitelijke waarnemingen en niet op modellen:

  • hoe kan de commissie dan uitspraken doen over wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren?
  • Welke garanties geven de resultaten uit het verleden voor de toekomst?
  • Welke redenering zit daarachter?

De redenering van de commissie doet ons denken aan het volgende: tot nu toe zijn we niet gestorven, maar mogen we daaruit concluderen dat we onsterfelijk zijn? Die conclusie kunnen we niet trekken omdat we andere gegevens en theorieën erbij gebruiken die aangeven dat mensen sterfelijk zijn. We krijgen de indruk dat de commissie die andere theorieën en gegevens terzijde schuift:

  • Is die indruk juist en zo nee, waarom niet?

Modellen worden gebruikt om voorspellingen over de toekomst te geven. Dat die modellen wel eens falen weten we uit de ervaring met de voorspelde bevingen in Groningen tot augustus 2012 (Huizinge). Tot dan toe waren alle betrokken partijen ervan overtuigd dat er nooit een zwaardere beving dan een 3.9 zou kunnen voorkomen in Groningen. Waarom ziet de commissie af van het gebruik van welk model dan ook:

  • Heeft de commissie aan bijvoorbeeld het SodM of TNO een reactie op het advies gevraagd?
  • zo ja, wat was de reactie?
  • zo nee, waarom is dat niet gebeurd?
  • Waarom is in de voorlopige NPR gekozen voor 40 bevingen per jaar van meer dan 1.5 op de schaal van Richter?
  • Welke argumenten zijn daarbij gebruikt en waarom vindt de commissie-Meijdam die argumenten niet juist?
  • Waarom neemt de commissie het gemiddelde over de afgelopen 10 jaar en niet het gemiddelde vanaf 2011? *

*Hieronder een overzicht van bevingen, sterker dan 1.5 op de schaal van Richter, gedurende die periode (zie ook figuur 1):

2011: 28 aardbevingen

2012: 20 aardbevingen

2013: 29 aardbevingen

2014: 19 aardbevingen

2015: 15 aardbevingen (tot augustus)

Overzicht van 252  aardbevingen sterker dan 1.5 op de schaal van Richter

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2015/01/15/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-gaswinning-groningen.html, 15 januari 2015, antwoord 90.

Uit de gegevens vanaf 1990 komt een stijgende tendens naar voren:

  • hoe weet de commissie-Meijdam dat die tendens zich niet zal voortzetten?
  • Hoe verhoudt zich dat tot het recente artikel in de  “Journal of Geophysical Research: SolidEarth” van S. J. Bourne, S. J. Oates , J. van Elk en D. Doornhof (de eerste twee auteurs werken bij Shell Nederland en de laatste twee bij de NAM)? Zie ook figuur 2. *

 

Aardbevingsenergie die jaarlijks vrijkomt

Toelichting bij figuur 2: De stippen staan voor de gemeten aardbevingsenergie tussen 1995 en 2013. De middelste lijn geeft de meest waarschijnlijke aardbevingsenergie weer en de andere twee de bandbreedte die mogelijk is vanwege onzekerheden in de berekeningen.

Bron: “Journal of Geophysical Research: SolidEarth” , een artikel verschenen van S. J. Bourne, S. J. Oates , J. van Elk en D. Doornhof; de eerste twee auteurs werken bij Shell Nederland en de laatste twee bij de NAM. Het concept van het artikel is voorgelegd aan andere organisaties die bij de aardbevingen betrokken zijn: KNMI, TNO en het Staatstoezicht op de Mijnen. Daarom kunnen we aannemen dat de visie die in het artikel naar voren komt breed gedragen wordt.

In het rapport staat: “Op basis van de methodiek die de commissie hanteert, daalt de prognose van de piekwaarde van de grondversnelling met circa 25% ten opzichte van de aanname die ten grondslag ligt aan de zogenoemde “groene/voorlopige versie” van de Nederlandse Praktijk Richtlijn.” Het gaat dan om “een daling van 0,42g naar 0,32g”.

Om deze daling in perspectief te brengen verwijzen we naar het volgende. We weten dat veel woningen in de provincie Groningen schade kunnen krijgen bij een PGA van ongeveer 0,15g. Volgens een rapport van Van Rossum Raadgevende Ingenieurs Amsterdam van 21 maart 2015 zijn “de dunne (vaak ca.100 mm dikke) gemetselde wanden (…) niet geschikt voor hoge PGA-waarden.” In dit rapport – gemaakt in opdracht van de provincie Groningen - staat dat er 212.500 woningen en 27.500 andere gebouwen staan in het gebied met  PGA groter dan 0,15g.

Ook al zou de commissie gelijk hebben met de daling van de grondversnelling naar 0.32g, dan is dat nog altijd meer dan de 0,15g waartegen bijna 240.000 huizen en gebouwen in de provincie Groningen niet bestand zijn:

  • Is deze conclusie juist en kan het antwoord nader worden beargumenteerd?

De commissie stelt: “Voor herstel van vertrouwen is echter niet alleen volledige openheid over berekeningen, onzekerheden en risico’s noodzakelijk. Ook is een benadering vereist die aansluit bij wat bewoners bezighoudt.” We gaan er daarom van uit dat we een gedetailleerd antwoord van de commissie zullen krijgen.

Overzicht van 252  aardbevingen sterker dan 1.5 op de schaal van Richter

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2015/01/15/beantwoording-schriftelijke-vragen-over-gaswinning-groningen.html, 15 januari 2015, antwoord 90.

Uit de gegevens vanaf 1990 komt een stijgende tendens naar voren:

  • hoe weet de commissie-Meijdam dat die tendens zich niet zal voortzetten?
  • Hoe verhoudt zich dat tot het recente artikel in de  “Journal of Geophysical Research: SolidEarth” van S. J. Bourne, S. J. Oates , J. van Elk en D. Doornhof (de eerste twee auteurs werken bij Shell Nederland en de laatste twee bij de NAM)? Zie ook figuur 2. *

Aardbevingsenergie die jaarlijks vrijkomt

Toelichting bij figuur 2: De stippen staan voor de gemeten aardbevingsenergie tussen 1995 en 2013. De middelste lijn geeft de meest waarschijnlijke aardbevingsenergie weer en de andere twee de bandbreedte die mogelijk is vanwege onzekerheden in de berekeningen.

Bron: “Journal of Geophysical Research: SolidEarth” , een artikel verschenen van S. J. Bourne, S. J. Oates , J. van Elk en D. Doornhof; de eerste twee auteurs werken bij Shell Nederland en de laatste twee bij de NAM. Het concept van het artikel is voorgelegd aan andere organisaties die bij de aardbevingen betrokken zijn: KNMI, TNO en het Staatstoezicht op de Mijnen. Daarom kunnen we aannemen dat de visie die in het artikel naar voren komt breed gedragen wordt.

In het rapport staat: “Op basis van de methodiek die de commissie hanteert, daalt de prognose van de piekwaarde van de grondversnelling met circa 25% ten opzichte van de aanname die ten grondslag ligt aan de zogenoemde “groene/voorlopige versie” van de Nederlandse Praktijk Richtlijn.” Het gaat dan om “een daling van 0,42g naar 0,32g”.

Om deze daling in perspectief te brengen verwijzen we naar het volgende. We weten dat veel woningen in de provincie Groningen schade kunnen krijgen bij een PGA van ongeveer 0,15g. Volgens een rapport van Van Rossum Raadgevende Ingenieurs Amsterdam van 21 maart 2015 zijn “de dunne (vaak ca.100 mm dikke) gemetselde wanden (…) niet geschikt voor hoge PGA-waarden.” In dit rapport – gemaakt in opdracht van de provincie Groningen - staat dat er 212.500 woningen en 27.500 andere gebouwen staan in het gebied met  PGA groter dan 0,15g.

Ook al zou de commissie gelijk hebben met de daling van de grondversnelling naar 0.32g, dan is dat nog altijd meer dan de 0,15g waartegen bijna 240.000 huizen en gebouwen in de provincie Groningen niet bestand zijn:

  • Is deze conclusie juist en kan het antwoord nader worden beargumenteerd?

De commissie stelt: “Voor herstel van vertrouwen is echter niet alleen volledige openheid over berekeningen, onzekerheden en risico’s noodzakelijk. Ook is een benadering vereist die aansluit bij wat bewoners bezighoudt.” We gaan er daarom van uit dat we een gedetailleerd antwoord van de commissie zullen krijgen.